Dat je niet zomaar in aanraking komt met justitie weten we allemaal. Maar hoe je weer uit ‘het systeem’ komt, dat is vaker de vraag. Betekent eenmaal erin, echt voor altijd in het systeem? Bij Forsa! en de Jouw Ingebrachte Mentor-aanpak (JIM) vinden ze van niet. Celine (18) en Karim (32) vertellen hoe ze, ondanks hun uiteenlopende situaties, door persoonlijke hulp weer op het rechte pad zijn geraakt. 

Bij het werken aan veerkracht van jongeren wordt vaker gebruik gemaakt van mentoring. Twee voorbeelden hiervan zijn JIM en Forsa! waar gebruik wordt gemaakt van ‘maatjes’ die de jongere helpen weer op het rechte pad te komen. Dit is iemand waar de jongere in kwestie tegenop kijkt en dus van aanneemt dat er zaken anders moeten in zijn of haar leven. Els Bijman, trainer bij JIM: ‘Het ondersteunen van jongeren om in een vertrouwensvolle relatie te durven spreken over wat fijn is in het leven, maar ook over wat moeilijk gaat, maakt veerkrachtig. Je kunt dan beter omgaan met problemen en nadenken over oplossingen.’ 
 
Het was al de tweede keer dat Celine Mulder (18) in aanraking kwam met de leerplichtambtenaar. Niet omdat zij maar een dag of twee, maar hele weken niet op school aanwezig was. ‘Ik had geen zin in school. Het ging echt niet lekker’, zegt ze. Dat gebeurde een paar jaar eerder ook al. Met man en macht probeerden docenten en haar ouders Celine naar school te krijgen. Maar het mocht niet baten. Ze bleef weg. 

Van de leerplichtambtenaar moest Celine naar Halt. ‘Ze gaven me de keuze: een taakstraf van vier uur of een JIM-traject volgen.’ Na uitleg over dit traject besloot Celine ervoor te gaan. Het zou veel langer gaan duren dan vier uur, maar het leek haar de verstandigste keuze. En ze dacht meteen aan Claudia Zwiers (47) – haar toenmalige schoonmoeder – als mentor. Claudia: ‘Mijn zoon Bjorn vroeg aan je of je dit met mij wilde doen. Ik zei: of jullie nou een relatie houden of niet, ik wil wel dat traject met Celine afmaken.’ Celine giechelt verlegen. Claudia: ‘En dat is maar goed ook, want het ging na een paar maanden uit tussen jullie.’ 
 
Voor Celine en Claudia was de afspraak dat ze zes maanden het JIM-traject zouden ingaan. Ze zouden elkaar elke week minstens één keer spreken. Als Celine ergens tegenaan liep op school, zou ze dit met Claudia bespreken, in plaats van niet naar school te gaan. Samen zouden ze oplossingen verzinnen, in gesprek gaan met Celines school en zorgen dat Celine meer zou vertellen wat haar dwars zat. 

Karim en Youssef
Karim (rechts) en maatje Youssef voor de deur van Karim’s huis in de Haagse Schilderswijk

'Youssef is meer dan een mentor. Hij nam me echt mee aan de hand.'

Halve leven in gevangenis 

Voor Karim (32) zag de wereld er heel anders uit. ‘Ik heb het gevoel dat ik nog niets bereikt hebt in mijn leven’, zegt hij. Op zijn zestiende was hij professioneel breakdancer en jeugdkampioen boksen. Maar die zomervakantie duurde te lang. Hij hing rond op straat. Dat was het jaar dat hij voor de eerste keer in jeugddetentie kwam. En tot nu toe heeft Karim de helft van zijn leven achter gesloten deuren doorgebracht. ‘Ik heb alle penitentiaire inrichtingen gezien in Nederland’, zegt hij schamper. Diverse geweldsdelicten, overvallen; de straf van een aantal zaken werd uiteindelijk samengevoegd, waardoor Karim 10 jaar zou moeten zitten. In 2015 overleed zijn moeder. Hij zat toen vast en mocht geen afscheid van haar nemen. Karim: ‘Dat zit diep en doet nog heel veel pijn.’ 
 
In de PI kreeg Karim weinig hulp voor zijn woede en verdriet. Zijn broer Aimad die zich al jaren voor hem inzet, merkt dat Karims emotionele betrokkenheid niet altijd wordt begrepen en gewaardeerd door de hulpverleners om hem heen. In zijn zoektocht naar de juiste organisatie die Karim begrijpt, maar ook het netwerk om hem heen kan ondersteunen, kwam Aimad uit op de Forsa!-aanpak van Bureau Maatschappelijk Herstel en Rehabilitatie (Bureau MHR) in Den Haag. Na een kennismakingsgesprek is maatje Youssef Ouaicha (30) aan Karim gekoppeld. 
 
In 2017 zat Karim vrijwillig op een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) om aan zijn rouwproces te werken. ‘Mentaal ging het echt niet goed met me’, zegt Karim. Hij kreeg wel hulp, maar zag telkens nieuwe mensen en hij moest naar nieuwe instanties voor nieuwe behandelingen. Alles voelde als los zand. Tot Youssef voor het eerst langskwam. Youssef: ‘Er zijn zo veel jongeren in zo’n FPA die alleen zijn, aan hun lot overgelaten. Dat is te sneu voor woorden.’ Youssef en Karim bleken het goed met elkaar te kunnen vinden. Als maatje kwam Youssef een keer in de twee weken langs. ‘Gewoon even een babbeltje maken, kijken hoe het gaat’, zegt Youssef. ‘En om te schaken’, glundert Karim. Youssef: ‘Ja, en om jou in te maken met schaken, haha.’ Youssef kwam niet alleen leuke dingen doen, ondertussen werkten zij aan de leefgebieden en aan een toekomstplan. Zo ontstond een hulpverleningsplan waarin Karim zich kon vinden en gemotiveerd mee aan de slag is gegaan. 

Celine en mentor Claudia
Celine en mentor Claudia

'Op Celines school hadden ze het alleen over haar ziekteverzuim. Dan kijk je niet meer naar de achterliggende zaken. Ik wilde verder kijken dan dat.'

Afstand zorgt voor overzicht 

Hoe anders de levens van Celine en Karim ook zijn, één ding hebben ze zeker gemeen: ze zijn allebei op het rechte pad geholpen door iemand die net wat verder van ze afstond. Zowel Celines moeder als Karims broer stonden te dichtbij om de rol van veranderaar te kunnen vervullen. Celine: ‘Ik was niet heel aardig tegen mijn moeder en ik praatte niet echt met haar. Claudia stond verder van me af, dus ik durfde haar meer te vertellen.’ Claudia merkte dit ook: ‘Op Celines school hadden ze het alleen over haar ziekteverzuim. Dan kijk je niet meer naar de achterliggende zaken. Ik wilde verder kijken dan dat.’ Bij Karim speelde een vergelijkbaar gevoel: ‘Ik wilde dat mijn broer wat op afstand zou komen.’ Youssef: ‘Zijn broer was te betrokken. Hij liep constant tegen het gevoel aan dat hij niet serieus genomen werd.’ Karim knikt heftig. ‘Met familie erbij met psychiaters praten, daar kan te veel vuur bij loskomen. Daarom is het fijn dat Youssef erbij is gekomen. Hij is niet mijn broer, maar spreekt wel mijn taal.’ 
 
Nu kunnen zowel Celine als Karim het zich niet meer anders voorstellen. Claudia en Youssef maken deel uit van hun leven. En ze geven allebei aan dat ze veel van hun tijd samen hebben geleerd. Claudia: ‘In het begin had Celine weinig zelfvertrouwen. Ze ondernam niet veel zelf, sprak mensen niet snel aan. Nu doet ze dat wel, ze is echt gegroeid. We zagen het allemaal in haar, maar ze moest het eruit krijgen.’ Celine knikt voorzichtig instemmend. ‘Ik vind het moeilijk om over mezelf te praten’, zegt ze. ‘Maar ik heb wel geleerd opener naar anderen te zijn. Als er iets is, zeg ik dat eerlijk.’ Ze kijkt bedachtzaam. ‘Ik ben echt blij dat ik niet maar vier uur taakstraf ben gaan doen.’ Inmiddels doet ze een ROC-niveau 2 opleiding voor servicemedewerker en gaat ze gewoon naar school. Ze wil hierna een niveau 4-opleiding volgen. 

Karim woont sinds zes maanden – na vele omzwervingen – in een begeleid wonen-appartement in Den Haag. Karim: ‘Ik heb Youssefs gedrag qua luisteren en praten overgenomen. Hij heeft mij wegwijs gemaakt. Voorheen was ik heel driftig. Youssef heeft me moeten bijsturen. Hij is meer dan een mentor – hij nam me echt mee aan de hand.’ Youssef beaamt dit. ‘Het is niet puur werk voor me, ik wil iemand leren kennen. Echt een kans geven. Met de juiste tools kan iedereen goed terechtkomen, dat weet ik zeker.’ ‘Zelfs ik’, zegt Karim lachend. Hij geeft Youssef een boks. Youssef: ‘Zeker. We zijn toch een beetje vrienden geworden.’ 

De Forsa!-methodiek (Bureau MHR)
Het Forsa!-programma, uitgevoerd door Bureau Maatschappelijk Herstel en Rehabilitatie, begeleidt (ex)gedetineerde jongeren van niet-westerse afkomst voor een jaar (of soms langer). Een vrijwillig maatje, met dezelfde culturele achtergrond, ondersteunt de jongeren op emotioneel en praktisch vlak. Het doel is te voorkomen dat de jongeren terugvallen in crimineel gedrag en ze te helpen het dagelijks leven weer op de rails te krijgen. Daarbij is er ook aandacht voor de directe omgeving van de jongere (familie). De Forsa!-methodiek is in 2008 ontwikkeld door Bureau MHR-directeur Karima Daoudi. Zie voor meer informatie: www.bureaumhr.nl

Jouw Ingebrachte Mentor (JIM)
In de ontwikkeling van kinderen en jongeren hebben, naast ouders en leeftijdsgenoten, natuurlijke mentoren een cruciale invloed. Dit kunnen familieleden, buurtgenoten, sportcoaches of docenten zijn. In meerjarige onderzoeken komen natuurlijke mentoren naar boven drijven als buffer tegen stressvolle gebeurtenissen en situaties. JIM staat voor Jouw Ingebrachte Mentor en is een methodische en wetenschappelijk getoetste aanpak om jongeren te ondersteunen in het vinden, vragen en onderhouden van contacten met deze natuurlijke mentoren. De jongere kiest iemand uit zijn eigen netwerk die meedenkt over de problemen waarvoor hij/zij staat. Door de JIM een positie te geven, is het mogelijk om een combinatie te maken tussen professionele en informele kennis om duurzaam veerkracht te vergroten. Kijk voor meer informatie op: www.jimwerkt.nl

Reflectie

Stijn Sieckelinck: ‘Mij treft het negatieve zelfbeeld uit de opmerking ‘zelfs ik’ van Karim. Dat laat zien hoe belangrijk dit soort initiatieven zijn. Kansrijke initiatieven die erin slagen de relatie aan te gaan en verbinding te maken en jongeren echt helpen. Dit voorbeeld laat zien dat twee heel verschillende personen baat kunnen hebben bij dit soort programma’s. Vooral het belang van de juiste afstand die een mentor tot de jongere heeft, valt mij op. Een zekere afstand is nodig als een flinke verandering moet plaatsvinden. Mensen die te dichtbij staan, hebben vaak zulke hoge verwachtingen dat het gewicht daarvan alleen maar verlammend werkt. Juist dan staat de emotionele band in de weg.

De afstand moet niet hiërarchisch zijn. Bij beroepskrachten denkt een jongere al snel: ‘die wil iets van mij’. Dan is er weinig vertrouwen in oprechte interesse (‘ze luisteren alleen maar me omdat dat hun werk is’). Of zijn ze door hun formele gezagsfunctie te intimiderend, zoals politie en justitie. Toch wordt er gewerkt aan een vertrouwensband opbouwen, door niet meteen gesprekken en verandering te forceren, maar eerst aan die relatie van mens tot mens te werken. Dat is ook het verschil met het project van Presikhaaf University, waar afstand onwenselijk is en juist meteen veel van de jongeren wordt verwacht. Hier gaat het echter om secundaire preventie (zie het Preventieclassificatiemodel van Amy-jane Gielen). Die is gericht op jongeren die al vastgelopen zijn en waar het de omgeving nog niet is gelukt ze de juiste kant op te helpen.’